Egzamin – Nederlands A1

    Imię:
    Nazwisko:
    Adres email:


    1. Reageren op vragen
    Geef een reactie op de vraag.
    Maak een complete zin.
    1. Met een vriendin in een restaurant:
    Wat vind je van de salade?
    2. In een kledingzaak:
    Kan ik u helpen? Nee,
    3. In een kledingzaak:
    Welke maat hebt u?
    4. Bij de bakker:
    Zegt u het maar.
    5. Aan de telefoon, met een vriend:
    Ga je niet naar de cursus? Nee,


    2. Vragen maken
    Maak een vraag bij de reactie.
    Maak een complete zin.
    1. In

    Nee, we hebben deze broek alleen in het rood.
    2. Bij de dokter:

    Ik heb last van mijn arm.
    3. Met een vriendin in een restaurant:

    Ja, heerlijk.
    4. De les is in kamer zestien nul vier.
    - In kamer zestien nul vier.
    5. Dat kost € 156,00.
    - Dat is niet zo duur.


    3. Modale werkwoorden
    Vul de goede vorm in van een modaal werkwoord
    (moeten, mogen, willen, kunnen, zullen).
    1. George geen tuin. Hij woont liever in een flat.
    2. Meneer, wij bij het raam zitten? Is die tafel vrij?
    3. Dit shirt is te klein voor jou. Je een grotere maat nemen.
    4. Kijk, hier zijn de foto’s van mijn vakantie. je ze zien?
    5. Kom je bij ons eten? Leuk! ik dan een typisch Nederlands gerecht maken?


    4. Werkwoorden – perfectum
    Geef antwoord op de vraag: Wat heb je gisteren gedaan?
    Gebruik het perfectum en de woorden tussen haakjes.
    Voorbeeld: (koffie – bestellen) Ik heb koffie besteld.
    Wat heb je gisteren gedaan?
    1. (een boek – lezen)

    2. (mijn huiswerk – maken)

    3. (naar Rotterdam – fietsen)

    4. (met mijn vriendin – bellen)

    5. (naar de dialoog van les 8 – luisteren)


    5. Tekst
    Lees de teksten.
    Anne-Christien Vermeulen, 21, derdejaars IB/IO
    Het is misschien niet heel interessant hoor, maar deze fiets heb ik al tien jaar. Hij is een keer bijna gestolen. Ik had een afspraak met een vriendin in een café. Ze was een beetje laat. Ze zei: ‘Er staat iemand bij je fiets, een man.’ Ze kende hem omdat ze bij hem haar eigen fiets had gekocht. We hebben iets gedronken en om 23.00 uur gingen we naar huis. Mijn fiets stond nog tegen de muur van het huis naast het café.

    Lydia da Silva, 21, derdejaars economie
    Mijn fiets is eigenlijk niet één fiets maar wel vier fietsen. Ik heb hem gemaakt van verschillende fietsen die ik heb. Het begon met een fiets zonder wiel en zadel. Ik vond de fiets dicht bij mijn huis. Een vriend van me zei dat hij de fiets wel kon maken. Ik moest alleen een zadel en wiel vinden. Ik kon geen wiel vinden, wel een zadel. Ik heb die vriend gebeld. Ik heb gezegd dat ik toch maar een fiets ging kopen. Hij zei: ‘Niet doen, ik heb een wiel gevonden.’ Sinds vorige week heb ik ook een nieuwe
    bagagedrager en een nieuwe bel, van twee oude fietsen. Ik vind mijn nieuwe oude fiets prachtig!

    Zijn de volgende zinnen waar of niet waar?

    1. De fiets van Anne-Christien is 10 jaar geleden gestolen. waarniet waar
    2. De vriendin van Anne-Christien was een beetje laat op de afspraak. waarniet waar
    3. Anne-Christiens fiets stond tegen de muur van het café. waarniet waar
    4. Lydia heeft 1 fiets. waarniet waar
    5. Lydia moet nog een nieuwe bagagedrager kopen. waarniet waar